DE RECHTSSTAAT VAN ROBIN HOOD

    Robert, graaf van Huntingdon, vogelvrij verklaard, Engels legendarisch volksheld.


    Het is eind negentiende eeuw. Robin Hood is teruggekeerd en leeft in ons land. Hij en zijn makkers mengen zich onder de rijken, bestelen hen en delen de buit uit onder de uitgebuite armen.

    Dat uitdelen doen zij door inschakeling van de stichting PRO PAUPERTATE, een vereniging van vrijwilligers met een goede inborst die ieder goed doel van harte steunen.

    De overheid ziet in het optreden van Robin Hood en zijn makkers eigenlijk een ondersteuning van het beoogde sociale overheidsbeleid. Vanwege de complexiteit was de Overheid altijd teruggeschrokken voor een grondige fiscale wettelijke regeling. Wanneer heet iemand rijk, wanneer arm? Wanneer is sprake van uitbuiting, wanneer van uitgebuit zijn? Dat zijn moeilijke vragen die zich niet eenvoudig laten kwantificeren, maar die je des te gemakkelijker op je gevoel beantwoordt, zoals de steeds populairder wordende Robin Hood bewijst. Trouwens, het Wetboek van Strafrecht en Strafvordering hadden geleerd dat het legaliteitsbeginsel maar een sta-in-de-weg is voor een slagvaardig Overheidsbeleid.

    Om haar beleid vorm te geven en uit te breiden stimuleert de Overheid het werk van Robin Hood door hem een ambtelijke aanstelling te geven. Aan het legaliteitsbeginsel wordt tegemoet gekomen door de grondslag voor het optreden van Robin Hood voortaan in de wet vast te leggen. Deze wettelijke grondslag is gelegen in een criterium, even geniaal als simpel: de geestelijke of lichamelijke ondergang van de armen. Zogenaamde Armenrechters toetsen aan dit criterium. Verder bevordert de Overheid de oprichting van nog meer particuliere uitdeelstichtingen, zoals de regionale stichtingen "Armoe en Gezin". Ook levensbeschouwelijke genootschappen zoals "PAUPERTAS" en het "LEGER DER ARMOE" ontdekken dat er een taak voor hen ligt en ook zij strekken hun gretige armen uit naar Robin Hood en zijn makkers.

    Er ontstaat een nieuwe term: de Overheid "runt" de uitdeelstichtingen door een subsidiebeleid te voeren. Op deze wijze wordt het beperkte legaliteitsgehalte, gevolg van de ruime discretionaire bevoegdheid van de Armenrechters, weer enigszins goed gemaakt. En bovendien kunnen nog altijd de Armenrechters de vinger aan de pols houden. Kan er iets niet door de beugel, dan zullen die Armenrechters daar heus wel een halt aan toeroepen.

    Het probleem met Robin Hood is, dat hij weliswaar een tijd de sympathie heeft van de uitgebuite mensen, maar zijn optreden onttrekt zich aan iedere controle en zijn makkers gaan steeds brutaler te werk. Dat gebeurt mede onder de druk van het leger van uitdeelstichtingen dat zich inmiddels heeft gevormd en dat een krachtige lobby is geworden.

    Op het laatst is niemand meer veilig. Mensen doen geen oog meer dicht. 's-Nachts schrikken zij wakker van het glasgerinkel. Als zij zich naar de plaats van de inbraak wagen treffen zij een onbeschrijfelijke chaos aan: ruiten verbrijzeld, alles overhoop en spullen kwijt. De eens zo gevierde Robin Hood en zijn makkers zijn een regelrechte plaag geworden en de volksmond duidt hen aan met het voor die tijd gedurfde scheldwoord 'armendief'.

    De overheid tracht lange tijd het probleem te bagatelliseren. De burgers gaan zich dan maar zelf te weer stellen, en daardoor wordt het zo langzamerhand voor Robin Hood en zijn makkers ook onwerkbaar, vooral ook omdat zijn naam onlosmakelijk geassocieerd wordt met "armendief'.

    De burgers hebben zich inmiddels verenigd in actiegroepen, die zwartboeken samenstellen, geïllustreerd met beelden van de ravages, achtergelaten door de inbrekende makkers. Ook de kranten staan er vol van.

    Het wordt 1954. Zo kan het niet langer en eindelijk komt de overheid met wettelijke maatregelen:

    • De makkers krijgen een degelijke opleiding en treden in overheidsdienst.
    • Zij krijgen een professionele inbrekersuitrusting, bestaande uit een sleutelset, een scherpe glassnijder, een zuignap en een zaklamp.
    • De naam wordt veranderd. Robin Hood en zijn makkers gaan voortaan heten: Raad voor de Armenbescherming.
    • Er wordt meer geld uitgetrokken voor het werk van de Raad.

    De rust keert weer, voornamelijk omdat de taferelen van versplinterde ruiten en overhoop gehaalde inboedels tot het verleden behoren. De burgers hebben het gevoel dat hen een kool is gestoofd, maar hun tot de verbeelding sprekende argumenten van verbrijzelde ruiten en ravages zijn hen uit handen geslagen. De berovingen gaan door, maar op een ongrijpbare, ontoonbare, professionele manier. De Raad voor de Armenbescherming maakt ondertussen een spectaculaire groei door. Dat kan niet zonder gevolg blijven en de Raden vervallen al gauw in hun oude kwaal: veel glasgerinkel, veel ravage.

    Dat doet de protesten opnieuw de kop op steken. Opnieuw trachten de protesterende burgers het onrecht aan de kaak te stellen met beelden van uit de hand gelopen inbraken, waarbij veel schade is aangericht.

    Allerlei actiegroepen worden opgericht:

    • De Stichting "De Dwaze Armen".
    • De Vereniging "Ouders van Armen".
    • De Vereniging "Grootouders van Armen".
    • Het Platform "Laat Armen Arm Blijven".

    De Raden reageren met een krachtig P.R.-defensief: In de media tonen zij het gehate gezicht van een van de weinige puissant rijke uitbuiters die het land nog telt, badend in zijn weelde, die zij pas nog hebben bestolen en die dank zij de Raad aan de bedelstaf is geraakt. De media roemen de goede werken van de Raden. Als de protesterende burgers van hun kant als tegenvoorbeeld op de TV een van de vele, vele wandaden van de Raad tonen, hult de Raad zich in een veelzeggend stilzwijgen, uit respect voor de privacy van het getoonde geval waarover zij maar geen boekje open zullen doen...

    Maar toch, de overheid kan er niet omheen: ook bij de kleine man wordt weer ingebroken. Er is een nieuw zwartboek verschenen. Opnieuw neemt de Overheid maatregelen:

    • Er worden klachtencommissies in het leven geroepen.
    • De Raden voor de Armenbescherming stellen een Normenrapport op met normen die bij het inbreken in acht genomen moeten worden.
    • Burgers bij wie is ingebroken kunnen bij die klachtencommissies klagen over aangerichte glasschade en verstoorde nachtrust.
    • Er wordt meer geld uitgetrokken voor het werk van de Raden.

    De actiegroepen tonen zich zeer gevleid doordat de Overheid hen voor vol aanziet. Zij voelen zich een Maatschappelijke Entiteit!

    En zij zijn het er niet mee eens! Die klachtencommissies waren maar een bliksemafleider! Het gaat niet om de glasscherven, het gaat om de diefstal! Zij storten zich in een vergadercircuit met de Overheid. In hun hoedanigheid zoeken zij contact met Kamerleden die hen zowaar hun zegje laten doen.

    Regering en Parlement lijken om het hardst te lopen: in twee weken tijds worden maar liefst twee commissies ingesteld: een Staatscommissie en een Parlementaire Commissie.

    De actiegroepen stellen nieuwe eisen: zij eisen het recht van contra-expertise als tegenwicht tegen de Raden voor de Armenbescherming, "Want", zo stellen de actievoerders, "de Raden voor de Armenbescherming gaan zomaar op eigen houtje, niet gebonden aan enig inhoudelijk voorschrift, op basis van subjectieve meningen, ja, met volstrekte willekeur, te werk!". "Inderdaad", concludeert de Parlementaire Commissie, "Regering, doe er wat aan!" De professionele Raden voor de Armenbescherming blijven opvallend rustig bij deze "frontale aanval" op hun bolwerk. "En trek meer geld uit voor de Raden voor de Armenbescherming opdat zij hun werk nog beter kunnen doen!" roept de Parlementaire Commissie nog.

    Het wordt 1995 en de Regering doet er wat aan. Het komt mooi uit. Er staat toch al een wetswijziging op stapel en het is een kleine moeite om daarin een bepaling op te nemen:

    • Burgers die beroofd zijn hebben het recht om, op eigen kosten, een contradeskundige te benoemen.
    • De contradeskundige kan zich uitlaten over de vraag of de betreffende burger rijk genoeg was om beroofd te worden.
    • De rechter kan bij de beoordeling van de vraag of de spullen terug gegeven moeten worden rekening houden met de mening van de contradeskundige.

    De actiegroepen zien de contradeskundigen als de kroon op hun werk. Zij schuiven aan bij de Overheid en vragen om subsidie om toekomstige problemen die wellicht nog wel eens zullen rijzen in goed overleg in plaats van via spandoeken op te lossen. De overheid lijkt er op in te gaan.

    Om duidelijk te laten zien hoe goed zij het veld van de uitdeelstichtingen onder controle heeft beveelt de Overheid een reorganisatie van het veld. Al die uitdeelstichtingen zijn te versnipperd. Zij worden onder een noemer gebracht en gaan voortaan heten "Stichting Armenhulp". Als dat nou niet een bewijs is dat de Overheid de stichtingen "runt"... Voor de vorm protesteren de stichtingen. Als de Overheid maar weet dat dat meer geld gaat kosten aan subsidies. En de Overheid, om te bewijzen hoe strak zij de stichtingen runt en goed zij het voor heeft met de armen, schuift. Naar de Stichtingen wel te verstaan.

    Ondertussen telt het land bijna geen rijke uitbuiters meer. De paar die er nog zijn zijn zowat ongrijpbaar geworden. Wat vooral zo lastig is, is dat zij hun rijkdom hebben belegd in incourante waarden. Het kost de Stichtingen Armenhulp (de uitdeelstichtingen) knap veel moeite om daar iets mee te kunnen doen alvorens het uit te kunnen delen. Eerlijk gezegd, zij hebben hun buik vol van die gewiekste rijke uitbuiters en zij wensen daar niet langer hun tanden op stuk te bijten. Bij de grote massa armen is veel gemakkelijker veel meer te halen. Daar is hun capaciteit veel beter aan besteed. Het bij die grote massa armen weggestolen vermogen neemt dan ook ondertussen de uitdeelcapaciteit van de Stichtingen Armenhulp volledig in beslag.

    De Armenrechters komen in de problemen. De Raad voor de Armenbescherming heeft bij hen een incourant vermogen aangebracht, buitgemaakt op een rijke uitbuiter. Er is echter geen Stichting te vinden die capaciteit of trek heeft om de buit om te zetten in courante waarde en uit te delen. Iedereen zit vol. Een Armenrechter zoekt de media op en slaat alarm voor het oog van de T.V.-camera. Het publiek is onder de indruk van de overbelasting van de Stichtingen Armenhulp en vol mededogen en bewondering voor die ambtenaren en die Armenrechters die zichzelf wegcijferen en het nare werk opknappen, terwijl de kijker zelf om 5 uur het werk aan kant heeft en met een opgeruimd gevoel naar huis kan. Maar het bij het publiek ontluikend schuldgevoel wordt afgewend door het beschuldigende vingertje van de Armenrechter, dat venijnig wijst naar de Overheid: "Geef meer geld aan uitbreiding van de Stichtingen Armenhulp", zo eindigt de Armenrechter zijn betoog. De publieke opinie wordt langzaam rijp voor een grote steunoperatie.

    Dan worden, in 1995, de media opgeschrikt door een dramatisch gebeurtenis. Het oog van de media is gevallen op een ongekend rijke uitbuiter die, gek van rijkdom, zijn eigen vermogen, bijeengeschraapt door enorme uitbuiting, in brand heeft gestoken. Verslaggevers storten zich op het onderwerp en stellen vragen aan de Raden voor de Armenbescherming en aan de Stichtingen Armenhulp. Met een vroom gezicht uiten de Raadsmedewerkers hun deernis over de ramp die zich in dit concrete geval heeft voltrokken. Al dit vermogen, al deze rijkdom, zomaar vernietigd voordat het weggeroofd kon worden. "Zo ziet u maar weer", zo zeggen zij, "waar al die bezuinigingen toe leiden. We hadden gewoon de mankracht en het geld niet om dit geval tijdig aan te pakken. Regering, geef ons meer geld opdat wij ons werk kunnen blijven doen!

    En ja hoor, de Regering schuift. Maar liefst honderd miljoen wordt vrijgemaakt en ter beschikking gesteld aan de Stichtingen Armenhulp.

    EPILOOG 1

    De succesvolle oplossing van wat eens het Robin Hoofdprobleem was verdient navolging. We hebben in dit land niet alleen te maken met lieden die hun rijkdom vergaard hebben door uitbuiting van de arme klasse. Nee, er zijn lieden die op heel andere manier hun rijkdom vergaren: met de handel in wapens en verdovende middelen. Helaas is de politie gebonden aan het wetboek van strafrecht: het gepleegde feit moet precies in de wet staan als een strafbaar feit, anders geen vervolging. En de wijze van vervolging is ook al in de wet precies omschreven. Dat is een groot nadeel. Steeds weer die advocaten die daarover klagen!

    Dat kan anders. De politie schaffen we af en we roepen een Raad voor de Boevenbestrijding in het leven. Die regelt het allemaal.

    Het wetboek van strafrecht schaffen we af, want er zijn veel meer te verbieden gedragingen dan je in een wetboek kunt voorzien. De maatschappelijk werkers van de Raad voor de Boevenbestrijding kunnen veel beter uitmaken wat in een bepaald geval wel of niet door de beugel kan, en zij adviseren de Rechter inzake de op te leggen straf.

    Het wetboek van Strafvordering dunnen we uit tot Normenrapport Boevenbestrijding. Gaat in een enkel geval een maatschappelijk werker van de Raad voor de Boevenbestrijding zijn boekje te buiten, dan kan daarover geklaagd worden bij de Klachtencommissie voor de Boevenbestrijding. Die kan de Raadsmedewerker de maatregel van 'berisping', of in het ergste geval van 'waarschuwing' opleggen.

    Boeven die het niet eens zijn met de mening van de Raad voor de Boevenbestrijding krijgen het recht om (op eigen kosten, want daar zijn het boeven voor) een contradeskundige te benoemen, die door de rechter gehoord kan worden.

    Het is duidelijk dat dit land op deze wijze een welvarende, vredige toekomst tegemoet gaat.

    P.S.: Zuiver ter bepaling van de gedachten met betrekking tot de grootte-orde van de bedragen:

    "De ernst van de georganiseerde criminaliteit is vooral gelegen in het grote illegale gewin van honderden miljoenen guldens (...)."

    (Eindrapport INZAKE OPSPORING, 10.3 Aard, ernst en omvang van de georganiseerde criminaliteit.)

    EPILOOG 2

    • In 1901 werden de Kinderwetten aangenomen.
    • De "Voogdijraden" werden eind veertiger jaren in de volksmond aangeduid met "kinderdief".
    • In 1954 werd de wet tot reorganisatie van de Voogdijraden aangenomen. Daarin lezen we in parlementair understatement: "dat een wijziging van de naam wel wenselijk is, al ware het slechts, omdat de naam "voogdijraad" bij het publiek langzamerhand een minder gunstige klank gekregen heeft, hetgeen aan het werk van de raad niet ten goede komt".
    • Op 15 januari 1990 werd door de Staatssecretaris van Justitie de Commissie Taak en Functie van de Raden voor de Kinderbescherming (Commissie Gijsbers) ingesteld.
    • Op 24 januari 1990 werd de bijzondere Tweede Kamer Commissie voor het Jeugdwelzijnsbeleid (Commissie Vliegenthart) ingesteld.
    • Op 1 april 1995 trad in werking de wet tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht. Daarin werd het recht van contra-expertise geregeld.

    Terug naar begin
    Terug naar homepage